De experts in ongediertebestrijding sinds 1936

Ongediertebestrijding met respect voor mens en milieu

Altijd een servicemedewerker bij u in de buurt

Soorten spinnen

Van de gewone huisspin tot de gevreesde vogelspin: de meeste mensen vinden spinnen griezelige dieren. Sommige soorten zijn onschuldig, maar andere zijn giftig. In dit hoofdstuk komt u meer te weten over hun gewoonten.

Gewone huisspin

(Family Diaspidae)
Gewone huisspin (Latijn: Familie Diaspidae)

Uiterlijk

  • Volwassen – lichaamslengte zonder de poten 6 – 10 mm. Geelbruin lichaam met onduidelijke markeringen. Buik lichtgrijs/bruin met korte haartjes.

Ontwikkeling

  • De eierzak die door het vrouwtje wordt gemaakt, is bolvormig en bedekt met een zijdeachtige laag. Hij wordt binnen de webstructuur verwerkt.
  • Het mannetje paart verschillende keren met het vrouwtje voor hij sterft.
  • Volwassen dieren kunnen verschillende jaren leven.

Leefwijze

  • Ze komen voor in gebouwen, schuren en muren.
  • Deze spin maakt een fijn geweven web.

Grote trilspin

(Pholcus phalangioides)

Uiterlijk

  • 7 – 10 mm lang (poten niet inbegrepen).
  • Gekenmerkt door de zeer lange benen

Ontwikkeling

  • Het vrouwtje legt eieren en draagt deze soms in haar kaken (korte, been-achtige structuren aan de voorzijde van het kopborststuk, tussen de tanden en de eerste paar poten)

Leefwijze

  • Ze spinnen een los, onregelmatig web in beschutte gebieden, vaak in en rond huizen, garages en schuren.
  • De gevangen prooi word snel in nieuw spinrag gewikkeld en daarna pas gebeten.
  • Ze komen vaak voor in stedelijke gebieden.
  • Ze voeden zich met insecten en andere spinnen.

Hooiwagen

(Orde Opiliones)
Hooiwagen

Uiterlijk

  • Volwassen – lichaam van 3,5–9 mm. Het bovenste oppervlak van het lichaam heeft een lichtgrijs/bruin patroon, terwijl de onderkant meestal roomwit van kleur is.
  • Staan hoog op zeer lange poten (lijkt op een maanlander).
  • Week lichaam en dunne huid.

Ontwikkeling

  • De vrouwtjes leggen hun eitjes in een vochtige ondergrond.
  • De eitjes overleven de winter en komen in de lente uit.
  • Er wordt per jaar maar één groep eitjes gelegd.

Leefwijze

  • Ze leven in velden en bossen en klimmen op boomstammen of zoeken op de grond naar voedsel.
  • Ze voeden zich met vele geleedpotigen, maar ook bladluizen, rupsen, keverlarven en kleine slakken.
  • Maken geen web zoals spinnen.

Huiszebraspin

(Salticus scenicus)

Uiterlijk

  • Volwassen lichaamslengte zonder de poten 5 – 6 mm. Lichaam met zwarte en witte strepen. De poten zijn kort, stevig en harig.

Ontwikkeling

  • De vrouwtjes blijven bij hun eierzakken en bewaken de pas uitgekomen jongen. De spinnenjongen verlaten de moeder als ze twee keer verveld zijn.

Leefwijze

  • Komen voor in huizen en tuinen.
  • Ze jagen op hun prooi en maken dus geen web.
  • Men ziet ze vaak springen.

Veldnachtwolfspin

(Trochosa ruricola)

Veldnachtwolfsspin (Latijn: Trochosa ruricola)

Uiterlijk

  • Volwassen vrouwtje: 8 mm; mannetje: 6 mm. Ze zijn doorgaans bruin tot grijs van kleur.

Ontwikkeling

  • De vrouwelijke wolfspinnen dragen hun eierzakken met zich mee. Ze hangen vast aan het spinorgaan onder de buik.
  • Wanneer de jonge spinnetjes uitkomen, klimmen ze op de rug van hun moeder, waar ze de eerste weken van hun leven doorbrengen.

Leefwijze

  • Ze jagen ’s nachts en verstoppen zich overdag tussen mos en rottend materiaal.
  • Ze leven in een ondiep hol met een open en onbeschermde ingang.

Vogelspin (tarantula)

(Familie Theraphosidae)

Vogelspin/tarantula (Latijn: Family Theraphosidae)

Uiterlijk

  • Volwassen lichaamslengte zonder de poten 2,5 – 13 cm. De meeste vogelspinnen hebben een zwart of bruin, harig lichaam en dito poten, maar er zijn ook soorten met opvallende kleuren.

Ontwikkeling

  • De paartijd is in de herfst. Het duurt 6-9 weken voor de jongen uitgebroed zijn en elk vrouwtje legt 500-1000 eitjes in een zijdeachtige cocon. De jongen verlaten hun hol na 2-3 weken.
  • Ze leven 25-40 jaar.

Leefwijze

  • Er bestaan meer dan 110 genussen en meer dan 800 soorten vogelspinnen.
  • Vogelspinnen leven bij voorkeur in een droge, goed gedraineerde grond, waar ze een hol graven dat bedekt wordt met een zijdeachtig web.